Opname schade randen aardbevingsgebied verloopt volgens planning

Onder regie van Centrum Veilig Wonen (CVW) worden sinds eind augustus schades van woningen en gebouwen opgenomen aan de randen van het aardbevingsgebied, dat ook wel als ‘buitengebied’ wordt aangeduid. In de afgelopen weken zijn 400 woningen bezocht; het is de bedoeling dat uiterlijk aan het einde van dit jaar de schade aan alle 1800 woningen en gebouwen (waarvan voor 15 augustus 2016 een schademelding is gedaan) is opgenomen. Schademeldingen die na deze datum zijn gedaan zullen – overeenkomstig de afspraken hierover met de Nationaal Coördinator Groningen - in 2017 worden opgepakt. Voor meer dan de helft van de schadeopnamen is nu een afspraak ingepland. Uiterlijk eind oktober zijn alle overige pandeigenaren door Centrum Veilig Wonen gebeld voor het maken van een afspraak.

Persoonlijke begeleiding bewoners

In het buitengebied worden alle woningen en gebouwen bezocht door een bewonersbegeleider van Centrum Veilig Wonen en een inspecteur van advies- en ingenieursbureau Witteveen+Bos. Dit bureau draagt zorg voor de schadeopnamen. ‘Om de bewoners alvast voor te bereiden op de inspectie hebben wij een video laten maken, waarin het proces van het opnemen van de schade wordt weergegeven. De video staat op onze website’, zegt algemeen directeur Peter Kruyt van Centrum Veilig Wonen.

De geconstateerde schades aan woningen en gebouwen worden beoordeeld door een panel van experts. Deze deskundigen kijken niet alleen of aardbevingen de oorzaak zijn van de geconstateerde schade. Ook andere mogelijke oorzaken worden inzichtelijk gemaakt. De bevindingen van de experts worden vastgelegd in individuele beoordelingsrapporten die in januari 2017 beschikbaar komen voor de schademelders.

Begeleidingscommissie

Een onafhankelijke begeleidingscommissie, ingesteld door de Nationaal Coördinator Groningen, monitort en evalueert de aanpak gaandeweg het proces. Kruyt: ‘De commissieleden kijken kritisch mee naar de toegepaste methode van schade opnemen en beoordelen. En of de bewoner voldoende centraal wordt gesteld in het proces. Dat is voor ons waardevol, zo kunnen we het proces blijvend verbeteren.’